Animatie zoals we dat nu kennen van de tv en de bioscoop bestaat nog niet zo heel lang. Nog maar iets meer dan honderd jaar. Maar de werkelijkheid namaken, en de bewegingen die je in die werkelijkheid ziet, nabootsen; dat doet de mens al heel lang.

In grot tekeningen uit de steentijd bijvoorbeeld, zijn soms dieren getekend met teveel poten, wat de tekenaar waarschijnlijk gedaan heeft om het te laten lijken of het dier aan het rennen is. Kijk maar:


En er bestaat een 5000 jaar oude vaas, waarop je een Bezoar Geit in vijf plaatjes ziet springen. Dat ziet er zo uit:


Verder is er in Egypte een duizenden jaren oude muurschildering te vinden, waarop als in een stripboek te zien is hoe twee mensen aan het worstelen zijn. Maar daar zit nog niet echt beweging in. De eerste echt bewegende animaties werden gemaakt rond 1850. Toen was er nog geen TV of bioscoop, want de film was nog niet uitgevonden. Dus de eerste animaties waren nog niet de films die wij kennen, maar een soort apparaatjes. Deze apparaatjes heten flipboekjes, en zoötropen.

Een zoötroop is soort kleine draaimolen, met aan de binnenkant een serie afbeeldingen, die samen een animatie vormen als je de molen laat draaien.

Als de plaatjes stilstaan of langzaam bewegen, dan zie je losse plaatjes. Als ze snel bewegen, zie je vloeiende beweging. Een zoötroop werkt pas als je door de sleuven in het apparaat kijkt. Dat is omdat je dan steeds maar één plaatje tegelijk ziet. En dan zetten je hersenen die plaatjes achter elkaar, waardoor het een vloeiende beweging lijkt.

Het proces in de hersenen dat ervoor zorgt dat je losse plaatjes aan elkaar plakt tot een bewegend beeld, noemen we het “Phi Fenomeen”. Doordat onze hersenen dit kunnen, bestaat animatie, film, tv en alle andere vormen van bewegend beeld op een scherm. Zonder het Phi Fenomeen zouden we namelijk altijd alleen maar losse plaatjes zien als we naar een film zouden kijken. Een stuk saaier dan bewegend beeld, toch?

Een flipboekje werkt anders. Bij een flipboekje zijn er op verschillende pagina’s in een boekje verschillende plaatjes getekend. En als je dan door het boekje heen bladert, vloeien de plaatjes in elkaar over en zie je een filmpje. Kijk maar:

In het filmpje zag je dat de animatie in de flipboekjes sneller gaat, als je sneller door de bladzijden bladert. De snelheid waarmee je bladert zou je kunnen zien als een bepaald aantal tekeningen dat je per seconde doorbladert. In animatie noemen we een losse tekening of afbeelding een “frame”. De snelheid van het bladeren is dan het aantal frames dat je ziet per seconde.

Het is heel makkelijk om zelf een flipboekje te maken. Bijvoorbeeld door in een schrift op elke bladzijde een kleine tekening te maken op de rechter onderhoek. Van een stuiterend balletje bijvoorbeeld. Probeer maar eens!

De snelheid in frames per seconde noemen we “Frame Rate”, oftewel frame snelheid. In de onderstaande video zie je het geanimeerde logo van Zeggis Digikunst. Deze video speelt zeven keer achter elkaar precies dezelfde animatie, maar met één verschil: de frame rate wordt steeds lager. De eerste keer zie je 25 frames per seconde, de laatste keer zie je nog maar 1 frame per seconde. Kijk maar eens welk effect dat heeft op de animatie:

Bij een snelheid van 25 frames per seconde is de animatie mooi vloeiend, en goed te volgen. Bij 15 fps (frames per seconde) is het nog steeds vloeiend, maar al wel iets minder. Onder de 10 fps wordt de animatie schokkerig en minder mooi om naar te kijken. En onder de 5 fps is eigenlijk niet goed meer te zien wat er gebeurt; je hersenen slagen er steeds minder goed in de afzonderlijke frames samen te voegen tot een beweging.

Als je wilt dat je animatie vloeiend verloopt, moet je dus een frame rate van minstens 10 frames per seconde kiezen. Dat betekent, dat je voor één seconde animatie, minstens 10 verschillende afbeeldingen nodig hebt. En voor een minuut animatie minstens 600 afbeeldingen! Je snapt dat een animatie maken veel werk kan zijn…

Animatie zoals we dat nu kennen is afhankelijk van technieken die rond 1850 nog niet waren uitgevonden. Animatie is namelijk eigenlijk een speciaal soort film, en dat bestond toen nog niet. Zoals we geleerd hebben bij de zoötroop werkt animatie, als je meerdere verschillende plaatjes of frames snel genoeg achter elkaar ziet. Dan worden de verschillende plaatjes in je hoofd achter elkaar geplakt, en wordt het één vloeiend geheel.

Dit is precies hoe film ook werkt. Een film is eigenlijk niets anders dan een heleboel foto’s die je heel snel achter elkaar ziet. Tegenwoordig staan films op harde schijven, en werkt de bioscoop met digitale projectoren. Maar nog niet zo lang geleden waren alle films lange stroken foto’s, die een voor een met een projector op het doek werden geprojecteerd. Dit gaat met een snelheid van ongeveer 25 frames per seconde. Dus voor 1 seconde film heb je dan 25 plaatjes nodig! In dit filmpje zie je hoe dat werkt:

De lange strook die door de projector gaat is dus eigenlijk een lange rij foto’s, die samen de film vormen. Dit betekent, dat als je een film maakt, je eigenlijk heel veel foto’s maakt, heel snel achter elkaar. En zo snel achter elkaar foto’s maken dat kon in 1850 nog niet. Maar rond 1890 werd dat wel mogelijk. Toen werden die lange stroken film uitgevonden, die we celluloid film noemen, en de projectors waarmee deze afgespeeld konden worden.

Op zo’n film staan dus normaal gesproken heel veel foto’s van de wereld om ons heen, maar je kan er natuurlijk óók foto’s maken van tekeningen. En dat is precies wat Emile Cohl in 1918 deed om deze allereerste echte tekenfilm te maken:

Dat ziet er nu uit als een heel simpel tekenfilmpje. Maar destijds hadden de mensen nog nooit zoiets gezien, en was iedereen erg onder de indruk!

Al snel gingen meer tekenaars experimenteren met deze Animatie techniek, en kwamen er meer tekenfilms uit. Windsor McCay was zo iemand. Hij was al beroemd om zijn cartoon tekeningen, en ging aan de slag met Animatie. Zo maakte hij in 1911 de film “Little Nemo” (Kleine Nemo). In deze film zat ook een deel Animatie, en daarvoor maakte hij wel 4000 tekeningen! Hier zie je hoe deze animatiefilm eruit zag:

Winsor McCay – Little Nemo (1911)

Windsor McCay maakte al snel nog een animatiefilm, dit keer over een dinosaurus:

Windsor McCay – Gertie the Dinosaur (1914)

Al snel ontdekten de Animatoren (een Animator is iemand, die Animaties maakt), dat duizenden tekeningen maken veel werk is, en zochten ze manieren om dit makkelijker te maken. Daarom hebben Earl Hurd en John Bray in 1915 de “Cel Animatie” uitgevonden.

Bij deze vorm van Animatie worden de achtergronden, en de figuren die in de film voorkomen op verschillende doorzichtige vellen getekend. Leg je deze vellen over elkaar, dan vormen de tekeningen samen één geheel. En om de figuur te laten bewegen, hoef je dan alleen dat deel overnieuw te tekenen; de achtergrond is immers op een ander vel getekend.


Cel Animatie ziet er achter de schermen zo uit:

Iedereen kent Disney. En de populaire Animatie karakters uit zijn films; Mickey Mouse, Donald Duck, en nog veel meer. Walt Disney begon rond 1920 met het maken van tekenfilms, en hij had lang niet altijd succes. Maar hij was een doorzetter. Na zeven jaar hard werken en veel tekenfilms had hij voor het eerst een hit.

Hij maakte in 1927 met zijn Animatie studio de tekenfilm “Trolley Troubles” (Trolley Problemen), met als hoofdpersoon Oswald the Luckey Rabbit (Oswald het Gelukskonijn):

Mickey Mouse bestond toen nog niet, die bedachten ze een jaar later, in 1928. De eerste succesvolle Mickey Mouse tekenfilm was ook meteen de eerste tekenfilm met “gesynchroniseerd” geluid. Dat betekent geluid dat precies meeloopt met de film. Dat was vóór die tijd nog niet mogelijk. De film waar we het over hebben heet “Steamboat Willy” (Stoomboot Willie), en die ziet er zo uit:

Merk je hoeveel verschil het maakt dat de geluiden kloppen met de bewegingen? De tekenfilm wordt er grappiger van, en ook realistischer.

Silly Symphonies

Disney heeft in de jaren daarna met zijn studio nog veel meer korte tekenfilms gemaakt. Bekende voorbeelden zijn de “Silly Symphonies” (Gekke Symfonieën). Daarvan zijn er op Youtube een boel te vinden: Silly Symphonies op Youtube

Al snel besloot Walt Disney dat korte tekenfilms leuk zijn, maar dat het publiek meer wilde. Dus begin hij met het maken van echte lange ge-animeerde bioscoopfilms. En daarmee begon het Gouden Animatie Tijdperk.

In 1937 lanceerde Walt Disney de geanimeerde speelfilm “Sneeuw Witje en de Zeven Dwergen”. Hij had hier met zijn studio vier jaar lang aan gewerkt. Dit was een gewaagde gok van Disney, want als de film niet populair zou zijn, dan zou zijn studio waarschijnlijk ophouden te bestaan. Toen Disney met zijn studio aan Sneeuw Witje werkte, was hij al geen klein bedrijf meer.

Zo’n grote animatiefilm maken is heel veel werk, en de studio leek wel een soort Animatie Fabriek. In de volgende film zie je hoe zo’n film gemaakt werd bij Disney, en hoeveel werk het was:

Sneeuw Witje en de Zeven Dwergen was een enorm succes. Over de hele wereld kwamen mensen naar de bioscopen toe om de tekenfilm te bekijken. Disney won een oscar met de film, en tegenwoordig wordt de film door het Amerikaanse Film Instituut gezien als een van de 100 beste Amerikaanse films aller tijden. Na Sneeuw Witje maakte Disney meer speelfilms, zoals “Pinokkio”, “Fantasia” en “Bambi”. En hij bleef werken aan het verbeteren van zijn animatietechnieken, om de films nog mooier en indrukwekkender te maken.

Maar Disney was niet de enige die animatiefilms maakte. In dezelfde periode maakten andere animatie studio’s zoals Warner Brothers ook bekende films, met karakters als Bugs Bunny, Popeye, Tom en Jerry, Betty Boop en Woody Woodpecker. Deze periode wordt wel het “Gouden Animatie Tijdperk” genoemd.

De opkomst van TV

Na de tweede wereld oorlog werd de TV steeds populairder, en gingen animatoren steeds meer tekenfilms maken voor op TV, en minder voor in de bioscoop. Een TV scherm is veel kleiner dan een bioscoop scherm, dus je hoeft er niet zo gedetailleerd voor te tekenen. En mensen konden er elke dag naar kijken; je hoeft voor een TV programma immers geen kaartje te kopen. Omdat er zoveel vraag was naar tekenfilms op TV maakten animatoren liever méér tekenfilms, dan móóiere tekenfilms. En dus werden tekenfilms anders, en eindigde het Gouden Tijdperk waarin studio’s als Disney de films zo mooi en indrukwekkend mogelijk maakten.

Toen TV populair werd, veranderde er veel in de wereld van Animatie. Niet alleen werden er steeds meer en goedkopere animaties gemaakt, animatie werd ook steeds meer gezien als iets wat voor kinderen was. Er ontstond een traditie dat kinderen op zaterdagmorgen vroeg opstonden, om urenlang tekenfilms te kijken op TV. Hier zie je hoe het begin van de bekende jaren ’80 tekenfilm “Transformers” eruit zag;

Speelgoedfiguren

Ook kwam het steeds vaker voor dat een figuur uit een tekenfilm ook te koop was als speelgoedfiguur in de speelgoedwinkel. En andersom; er werden vaak tekenfilms gemaakt over populaire speelgoedfiguren. Bekende voorbeelden hiervan zijn de “Teenage Mutant Ninja Turtles”, “Heman” en de “Transformers”.

Daarnaast werden er veel nieuwe soorten animatie uitgevonden, zoals Klei-Animatie, Cut-Out Animatie en Computer Animatie.

Klei Animatie bestaat al sinds het begin van de 20e eeuw. Het is een vorm van stop-motion animatie. Die techniek is anders dan die van cel animatie. Bij cel animatie wordt de figuur die geanimeerd wordt voor elk stapje in de animatie opnieuw getekend.

Dat gebeurt bij stop-motion niet. In het geval van klei-animatie, wordt er een kleifiguur gemaakt, en die wordt tussen de frames door steeds iets van vorm veranderd. Dat kan met klei als het zacht is, en dit kost een stuk minder tijd dan de hele figuur opnieuw maken. Stop Motion betekent “stop beweging”. En dat is eigenlijk wat je doet als je een foto van een moment in een beweging maakt: je zet die beweging stil in een foto. Al die stilstaande momenten uit een beweging samen vormen dan de animatie, die je afspeelt door de afbeeldingen snel achter elkaar te laten zien.

Op youtube zijn mooie oude klei-animaties te vinden, bijvoorbeeld deze van Ralph Wolfe uit 1026;

Zo’n klei animatie wordt gemaakt door de kleifiguur steeds te fotograferen, en tussen de foto’s door iets te verschuiven of te vervormen. Misschien viel je wel op in de film van Ralph Wolfe, dat het oppervlak van de vogels in zijn film steeds een beetje bobbelen. Dat zijn de vingerafdrukken van de animator, die ontstaan doordat hij steeds de figuur een beetje kneedt om de vorm te veranderen.

Een beroemde film is “Gumbasia” uit 1951 van Art Clokey, een pionier op het gebied van klei animatie:

Tegenwoordig worden er ook nog steeds klei animaties gemaakt. Een beroemde studio die gespecialiseerd is in deze techniek is “Aardman Studio’s”. Zij maken echte lange bioscoopfilms, helemaal met de klei-animatie techniek. “The Pirates! Band of Misfits” is zo’n film van Aardman. Dit is de trailer van deze film:

Aardman heeft ook een korte making-of over deze film gemaakt. Een making-of is een filmpje waarin je achter de schermen meekijkt naar hoe een film gemaakt is. Het filmpje is in het engels, maar geeft een goede indruk van hoe zo’n uitgebreide klei-animatie film gemaakt wordt:

Zo’n film maak je niet met een paar mensen in een paar dagen. Maar ook als je het eenvoudiger aanpakt kan je hele leuke klei-animaties maken. Zo heeft Aardman Studio’s ook een serie korte klei-animaties gemaakt over twee hele simpele kleifiguurtjes: “Purple & Brown”. In deze filmpjes zijn de sets en de karakters heel eenvoudig, en wordt een kort grappig verhaaltje verteld. Kijk maar eens hoe leuk een hele simpele klei animatie kan zijn:

Purple and Brown – Dynamite Dog

Cut-Out animatie is een andere vorm van stop-motion animatie. Cut-Out betekent “uitgeknipt”. Bij deze vorm van animatie wordt gewerkt met figuren van papier, die uitgeknipt zijn en los op elkaar liggen, meestal op een tafel. De camera waarmee de frames gefotografeerd worden hangt boven de tafel.

Eigenlijk is een cut-out animatie een soort bewegende collage.

Ook cut-out animatie bestaat al lang. Het is een eenvoudige animatie techniek, die hele mooie resultaten kan opleveren. Er zijn bijvoorbeeld door de Russische animator Yuri Norshteyn prachtige films mee gemaakt, bijvoorbeeld “Hedgehog in the Fog” (Egel in de Mist):

De laatste jaren worden bijna alle animaties die op internet, op tv en in de bioscoop te zien zijn gemaakt met computer animatie. En er zijn veel vormen computer animatie.

Computer animatie van 1950 – 1970

De computer wordt al bijna zo lang als hij bestaat ingezet voor animatie. In de jaren 1950 bijvoorbeeld, werden de voortitels van films soms al gemaakt met behulp van computers. Dit is een computer animatie uit 1963:

Zoals je ziet is dit nog een best primitieve animatie. Dat is niet omdat de mensen toen niet slim genoeg waren om het mooier te kunnen. Dit was het maximale wat je toen met een computer kon bereiken. En het was veel werk om zo’n animatie te maken.

Computer animatie van 1970 – 2000

Sinds de jaren 1970 zijn computers steeds sneller en goedkoper geworden, en zijn computer animaties steeds vaker te vinden in de films en video’s die gemaakt worden. En in 1995 werd de eerste lange computer geanimeerde bioscoopfilm gelanceerd: “Toy Story”:

Deze film was een grote doorbraak op het gebied van computer animatie, en op het gebied van de film in het algemeen. Kijk maar eens hoeveel films er tegenwoordig in de bioscoop draaien die helemaal met de computer geanimeerd zijn. Dat begon allemaal met Toy Story! Pixar, het bedrijf dat Toy Story maakte, heeft sindsdien nog veel meer animatiefilms gemaakt, bijvoorbeeld “Finding Nemo”, “Cars”, Wall-E”, “Up” en “Inside Out” (“Binnenste Buiten”).

Computer animatie anno nu

Als je Toy Story vergelijkt met de computer animatie uit 1964 dan zie je hoeveel meer er in de tussentijd mogelijk was geworden. Maar ook sinds 1995 is er weer veel veranderd. Tegenwoordig is computer animatie zelfs zo goed geworden dat je in een film vaak niet meer kan zien wat echt is, en wat geanimeerd is. In deze video zie je bijvoorbeeld een animatie van een oog, die bijna niet van echt is te onderscheiden:

In bioscoopfilms worden spectaculaire scenes, die moeilijk in het echt te filmen zijn, tegenwoordig vaak gemaakt met computer animatie. Dat is goedkoper, en dan is er veel meer mogelijk. Maar dat wil niet zeggen dat het makkelijk is; je kan tegenwoordig hele opleidingen volgen om computer animator te worden. En bij animatie studio’s werken honderden mensen vaak maanden of jarenlang aan films die je in de bioscoop kan zien, en die na anderhalf uur weer afgelopen zijn

Maar het leuke is wel, dat tegenwoordig bijna iedereen een computer animatie kan maken. Het enige wat je nodig hebt is een computer, een software programma zoals “Blender 3D”, dat gratis is, tijd en doorzettingsvermogen. En een goed verhaal voor je animatiefilm natuurlijk!